Ga naar inhoud

Waarom een bloedtest PMDD niet aantoont

Bij PMDD zijn de hormoonspiegels in het bloed meestal hetzelfde als bij mensen zonder PMDD. Onderzoek wijst erop dat het brein anders reageert op normale schommelingen van progesteron en allopregnanolon in de luteale fase. Daarom is er geen bloedtest die PMDD aantoont. Het patroon wordt zichtbaar door klachten minstens twee cycli per dag bij te houden.

Gepubliceerd: 15 oktober 2026 · Laatst bijgewerkt: 15 oktober 2026

Wat een bloedtest wel en niet laat zien

Een huisarts kan bloed laten prikken om andere oorzaken uit te sluiten, zoals een schildklier die te snel of te traag werkt. Dat hoort bij een zorgvuldig gesprek. Die uitslag laat PMDD zelf niet zien.

Onderzoekers vinden in de luteale fase geen kenmerkende hoge of lage spiegel van progesteron of allopregnanolon waarmee je PMDD kunt onderscheiden van mensen zonder deze klachten. Perifere spiegels zijn daarom geen bruikbare biomarker (Bixo, Stiernman en Bäckström, 2025).

Wat er in de luteale fase verandert

Na de eisprong maakt het gele lichaam progesteron. Een deel daarvan wordt omgezet in allopregnanolon. Die stof werkt op de GABA-A-receptor, een systeem in de hersenen dat betrokken is bij rust en alertheid. De spiegel stijgt en daalt mee met progesteron, en zakt weer als de menstruatie begint.

Bij de meeste mensen werkt allopregnanolon in hogere concentraties kalmerend. Bij een kleiner deel kan een lagere concentratie juist samengaan met onrust of prikkelbaarheid. Een overzicht uit 2025 brengt dat samen met bevindingen bij PMDD: de klachten volgen die schommelingen, bij mensen die daar gevoelig voor zijn (Bixo e.a., 2025).

Wat studies laten zien als de eisprong wordt onderdrukt

In een onderzoek uit 1998 verdwenen ernstige premenstruele klachten toen de eisprong medicamenteus werd onderdrukt. Toen oestradiol of progesteron daarna werd teruggegeven, kwamen de klachten terug. Bij vrouwen zonder die klachten gebeurde dat niet op dezelfde manier (Schmidt e.a., 1998). Het artikel spreekt over premenstrueel syndroom, de term die toen voor deze ernstige klachten werd gebruikt.

Het overzicht van Bixo e.a. (2025) plaatst dit soort bevindingen bij PMDD. De klachten horen bij een gevoeligheid voor normale hormoonveranderingen. Een afwijkende bloedwaarde is daar niet voor nodig. Meer over het verloop van de fase zelf staat bij de luteale fase.

Waarom twee cycli bijhouden het patroon laat zien

Richtlijnen vragen om klachten vooruit bij te houden, minstens twee cycli, vóór er een diagnose wordt gesteld. Achteraf beschrijven wat je je herinnert is daarvoor te onbetrouwbaar. Dat staat in de RCOG-richtlijn (Green-top 48), in de auditstandaarden van de ISPMD (2016), in de ACOG-richtlijn uit 2023, en in de definitie van ICD-11, code GA34.41.

De DSM-5 vraagt hetzelfde patroon: klachten in de week vóór de menstruatie, minimaal of afwezig in de week erna, met merkbare last, bevestigd over minstens twee cycli. Het instrument dat daarvoor het meest wordt gebruikt, is dagelijkse DRSP-registratie. De app maakt dat patroon zichtbaar. Een diagnose stelt de app niet.

Wat de dagen na je menstruatie zeggen

Bij PMDD horen de klachten in de week na het begin van de menstruatie minimaal of afwezig te zijn. Dat is het contrast met de luteale fase. Veel mensen herkennen dat in de folliculaire fase: de zware dagen zakken, en de dagen daarna voelen helderder.

Blijven de klachten het helemaal door hoog, en worden ze alleen erger vóór de menstruatie, dan past een onderliggende aandoening beter. De ACOG-richtlijn (2023) noemt dat onderscheid expliciet. Op deze site heet dat PME. Meer achtergrond bij wat PMDD is.

Hoe vaak dit voorkomt

Een meta-analyse uit 2024 bekeek 44 studies met 50.659 deelnemers (Reilly e.a., 2024). Bij een bevestigde diagnose, dus met prospectieve registratie, was de gepoolde prevalentie 3,2% (95%-betrouwbaarheidsinterval 1,7–5,9%). In bevolkingsonderzoek met die bevestigde diagnose was dat 1,6% (1,0–2,5%). Bij een voorlopige inschatting, zonder twee cycli bij te houden, was het 7,7% (5,3–11,0%).

Het cijfer 3–8% dat je vaak tegenkomt, ligt over die bandbreedtes heen. Vragenlijsten die op herinnering leunen tellen meer mensen mee dan studies die het patroon over twee cycli bevestigen. Het oudere cijfer is dus geen leugen, wel een mengsel van twee manieren van tellen.

Welke richtlijn waar geldt

In Nederland schreef de NVOG in 2011 een richtlijn over het premenstrueel syndroom. Die adviseert de criteria van de ISPMD en een kalender, en is gebaseerd op de RCOG-richtlijn uit 2007. De huidige internationale stukken zijn jonger: ACOG Clinical Practice Guideline No. 7 (december 2023) en RCOG Green-top Guideline No. 48 (2016, gepubliceerd in 2017). De RCOG heeft de tekst in mei 2023 herzien en werkt aan een update. NICE Clinical Knowledge Summaries bouwt op die bronnen.

Die richtlijnen bespreken ook behandeling, onder meer SSRI’s, sommige hormonale anticonceptiva en cognitieve gedragstherapie. Welke optie past, en in welke dosis, bespreek je met een zorgverlener. Een uitleg in gewone taal staat bij behandeling. Deze pagina blijft bij het mechanisme en de manier waarop het patroon wordt herkend.

Verder in deze rubriek

Dezelfde bronnen staan uitgewerkt op aparte pagina’s: hoe vaak het voorkomt, twee cycli, wat richtlijnen over behandeling zeggen, en PME en PMDD in onderzoek.

Bronnen

  1. Bixo M, Stiernman L, Bäckström T. Neurosteroids and premenstrual dysphoric disorder. The British Journal of Psychiatry. 2025. doi.org/10.1192/bjp.2025.103
  2. Schmidt PJ, Nieman LK, Danaceau MA, Adams LF, Rubinow DR. Differential behavioral effects of gonadal steroids in women with and in those without premenstrual syndrome. New England Journal of Medicine. 1998;338(4):209–216. doi.org/10.1056/NEJM199801223380401
  3. Reilly TJ, Patel S, Unachukwu IC, et al. The prevalence of premenstrual dysphoric disorder: systematic review and meta-analysis. Journal of Affective Disorders. 2024. pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/38199397/
  4. American College of Obstetricians and Gynecologists. Management of premenstrual disorders. Clinical Practice Guideline No. 7. Obstetrics & Gynecology. 2023;142(6):1516–1533. www.acog.org/clinical/clinical-guidance/clinical-practice-guideline/articles/2023/12/management-of-premenstrual-disorders
  5. Royal College of Obstetricians and Gynaecologists. Management of Premenstrual Syndrome. Green-top Guideline No. 48. BJOG. 2017;124(3):e73–e105. www.rcog.org.uk/guidance/browse-all-guidance/green-top-guidelines/premenstrual-syndrome-management-green-top-guideline-no-48/
  6. Ismaili E, et al. Fourth consensus of the International Society for Premenstrual Disorders (ISPMD): auditable standards for diagnosis and management of premenstrual disorder. Archives of Women’s Mental Health. 2016. doi.org/10.1007/s00737-016-0631-7
  7. National Institute for Health and Care Excellence. Clinical Knowledge Summaries: Premenstrual syndrome, supporting evidence. Based on RCOG, ISPMD, ACOG 2023 and BMJ Best Practice 2024. cks.nice.org.uk/topics/premenstrual-syndrome/supporting-evidence/
  8. World Health Organization. ICD-11 for Mortality and Morbidity Statistics. GA34.41 Premenstrual dysphoric disorder. icd.who.int/browse/2025-01/mms/en#1526774088
  9. American Psychiatric Association. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, fifth edition (DSM-5). 2013. Premenstrual dysphoric disorder. www.psychiatry.org/psychiatrists/practice/dsm
  10. Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie. Richtlijn Premenstrueel syndroom. Utrecht: NVOG; 2011. www.nvog.nl/wp-content/uploads/2020/06/Richtlijn-Premenstrueel-Syndroom.pdf

Deze pagina vat gepubliceerd onderzoek en richtlijnen samen. Het is geen medisch advies en geen klinische richtlijn. De app stelt geen diagnose.

PMDD Tracker is geen medisch hulpmiddel en vervangt geen professioneel advies. Het cyclisch overzicht is een hulpmiddel voor patroonherkenning, geen medisch oordeel. Raadpleeg altijd een zorgverlener voor professioneel advies. Medische disclaimer.

Veelgestelde vragen

Kan mijn huisarts PMDD in mijn bloed zien?
Nee. Een bloedtest kan andere oorzaken uitsluiten, zoals een schildklierprobleem. PMDD zelf blijkt uit het patroon van klachten over minstens twee cycli, niet uit een hormoonspiegel.
Zijn mijn hormonen dan te hoog of te laag?
Onderzoek laat geen kenmerkende te hoge of te lage spiegel zien waarmee PMDD te onderscheiden is. De verklaring die nu het best past, is een andere reactie van het brein op normale schommelingen.
Wat is allopregnanolon?
Allopregnanolon is een stof die het lichaam maakt uit progesteron. Het werkt op de GABA-A-receptor. De hoeveelheid stijgt en daalt in de luteale fase mee met progesteron.
Waarom moet ik minstens twee cycli bijhouden?
Omdat herinnering te onbetrouwbaar is. ICD-11, de DSM-5, de RCOG, de ISPMD en ACOG vragen om een prospectief dagboek over minstens twee cycli. Meer over de praktijk staat bij dagelijkse DRSP-registratie.

Houd twee cycli bij en neem het mee

Dagelijks de DRSP invullen maakt het patroon zichtbaar voor jezelf en voor een zorgverlener. De app stelt geen diagnose.

In jouw taal. Geen advertenties. Privacy-eerst.